kerst in de molen 2020

Het is vroeg als de molenaar wakker wordt. Of misschien niet vroeg, maar wel nog donker. In december wordt het in Nederland maar weinig licht. De molenaar staat met een zucht op van zijn bedstee en rekt zich uit. in zijn witte nachthemd stapt hij zijn kleine kamertje in en trekt een blaadje van de scheurkalender; 21 december: Heeft men in december vorst en slijk, worden de dokters rijk.

De molenaar rekt zich nog eens uit en zet de koffiepot op het fornuis. Dan kleedt hij zich aan en terwijl de koffie pruttelt, trekt hij de gordijnen voor de kleine raampjes weg. Een grijze koude decemberdag ligt op de polder en de dijk. Een paar brandganzen zwemmen in het loodgrijze kanaal en de huizen van het dorp steken met hun witte muren en rode pannendaken fel af tegen de grauwe hemel. De windvaan hangt slap te schommelen aan de mast. Een perfecte dag voor 21 december, zou je denken.

Elk jaar op de kortste dag komen de mensen uit het dorp naar de molen. Ze draaien de wieken een voor een naar beneden, vier snoeren met lampjes worden erin gehangen, vanuit het gat in het midden tot aan de verste hoek van de wieken. Opgeschoten jonge mensen klimmen in de wieken zo hoog als ze durven, soms wel tot bij het gat, terwijl hun ouders beneden angstig omhoog staan te kijken. Om vijf uur is het klaar, dan komt de uitbater van het café met bitterballen en glühwein. De molenaar steekt de lichtjes aan en ze zingen samen komt allen tezamen in de tuin van de molen. Maar dit jaar is alles anders. De mensen moeten thuisblijven, samenscholingen van meer dan twee mensen mogen niet en als er twee mensen op de zolder van de molen zouden komen om te helpen de wieken te verzetten, komen ze veel te dicht bij elkaar. En zingen mag al helemaal niet! Wat een rare tijd leven we in als we bang moeten zijn om te dicht bij onze buren en vrienden te komen.

De molenaar loopt naar buiten en voert de kippen. Er ligt warempel een eitje in de legkast. Voorzichtig pakt hij het op, het ligt warm in zijn hand als hij om de molen loopt. Bij de deur kijkt hij eens omhoog. Het zal erg saai zijn, een molen zonder lichtjes. Eigenlijk niet echt kerst. Aan de keukentafel drinkt hij koffie en eet een vers gekookt eitje. Hij kijkt uit het raam naar de grijze dag die nu als elke andere grijze dag langzaam voorbij zal gaan. Geen kinderen rond de molen, geen jongeren in de wieken, geen oude mensen op het bankje bij het hek. Geen gelach, gejoel en gezang.

‘Ik doe het gewoon zelf!’ Hij zegt het hardop en schrikt van zijn eigen stem. De kat kijkt ook even verstoord op van zijn plekje in de bedstee, maar slaapt dan weer verder. ‘Ik doe het gewoon zélf.’ Hij zegt het nog eens, met nadruk en vastbesloten. Hij drinkt zijn laatste slok koffie en klimt de ladder op naar boven.  Langs de grote zolder waar in de herfst de mosterd gemalen wordt, naar de kleine zolder met het gat. Daar trekt hij de kisten met de lichtjes tevoorschijn, vier stuks, voor elke wiek een. Hij steekt de eerste stekker in het stopcontact en de zolder wordt plots verlicht door 58 witte en twee groene lampjes. Ze doen het allemaal. Hij trekt de stekker er weer uit en sleept de kist onder het gat. Hij steekt zijn hoofd langs de as van de molen naar buiten en kijkt naar beneden langs de wiek. En even in de verte, het uitzicht van hier is altijd mooi; hij ziet het dorp, de kerk, de dijk loopt door tot op de einder. Er zijn weinig mensen op straat, verderop rijden een paar auto’s en op de dijk wandelt iemand met een hond. Ze zien niet dat hij hier staat en naar ze kijkt. Hij neemt de twee groene lampen, die komen op het einde van de wiek, dat is het midden. Onder het gat staat een oud gewicht van twee kilo met een grote musketonhaak eraan. Dat klikt hij tussen de twee groene lampen en zo laat hij langzaam maar zeker het snoer door het gat langs de wiek zakken. Hoeveel kinderen hebben in de loop van de jaren dat gewicht weer naar boven gesjouwd? Nu zal hij dat zelf moeten doen, naar beneden lopen, de lichten vastzetten en met het gewicht weer terug die twee trappen op. Het moet niet te snel, de lampen moeten niet teveel gaan slingeren zodat ze tegen het hout van de wiek kapot slaan. Daarom is dit altijd zijn vaste plek. Alleen die ene keer dat hij gevallen was en de trap niet op kon, toen heeft de schoolmeester het gedaan. Normaal ziet hij onder zich vrolijke gezichten, mensen die roepen hoe ver het nog moet, soms is er een jongen in de wiek geklommen die het snoer vasthoudt, iemand gaat rond met een thermoskan koffie, een buurvrouw heeft kerstbrood of koekjes bij zich… nu ziet hij alleen een leeg winters grasveld en het diepgrijs van de doodlopende weg die stopt bij de molen.  Een rode auto draait die weg op en stopt bij het hek. Een jongeman springt behendig uit de auto, een krant in de hand. Hij kijkt naar boven en ziet de molenaar. ‘Goedemorgen meneer! Wat fijn dat er toch lichtjes komen. Zal ik deze hier vastmaken?’  Hij stapt over het hekje en loopt met energieke pas over het pad naar de molen. De molenaar laat de laatste meter van het lichtjessnoer zakken.
‘Graag jongeman, dat scheelt mij toch een paar trappen.’ De man reikt naar de groene lampen en klikt die vast in de klemmen in de hoek van de wieken. ‘Zo klaar toch?’ De molenaar trekt het snoer strak langs de wieken en zet het bovenaan ook vast. ‘Ja, zo moet het blijven zitten. Of je moet een stukje willen klimmen?’ De man beneden lacht. ‘Dat is lang geleden!’
Hij springt omhoog en trekt zich op in de wiek. Hij klimt een klein stukje omhoog, kijkt om zich heen en gaat terug. ‘Ik ben bang dat die balkjes mij niet meer houden molenaar, ik ben heel wat zwaarder dan toen ik vijftien was.’  Hij springt op de grond en loopt richting zijn auto. De molenaar gaat naar binnen om de wieken te bewegen. Hij sjort aan het wiel tot het merk aangeeft dat er een wiek naar beneden wijst. Het is een zware klus in je eentje dus hij staat even uit te blazen voor hij de volgende kist met lichtjes uit de hoek sleept.  Hij steekt de stekker in het stopcontact, kijkt of alle lampen het doen en zoekt de twee groene op. Dan loopt hij richting de trap, zonder een gewicht aan het snoer gaat het niet, hij zal toch die trappen af moeten om het te halen. Maar tot zijn verbazing vindt hij het gewicht op de bovenste tree van de trap. Hij heeft niemand gehoord!

Weer hangt hij uit het gat, met beneden zich het lege grasveld. Als het snoer met lampjes zacht schommelend naast de wiek hangt en hij die bovenin heeft vastgemaakt, hoort hij een auto stoppen bij het hek. De postbode staat naast de brievenbus, stapt uit, stapt over het hek en loopt naar de molen. 
‘Goedemorgen molenaar! Wat fijn dat er toch lichtjes in de molen komen vandaag!’ Roept hij naar boven terwijl hij naar de wiek reikt. Zonder verder iets te vragen tilt hij het gewicht van het snoer en klikt de groene lampen in de klemmen op de hoek van de wiek. ‘Zo, die zit. Echt fijn dat je dit toch doet in deze rare tijd.’
‘Ja, ik wil die lichtjes toch ook niet missen.’ Roept de molenaar uit het gat. ‘Bedankt!’ De postbode maakt een gebaar met zijn hand terwijl hij naar de auto loopt. De molenaar gaat weer naar binnen en herhaalt het hele rituaal voor de volgende wiek; steen opsjorren tot het volgende merk, kist uit de hoek slepen, kijken of alle lampjes branden en de twee groene lampen bovenin leggen, de kist onder het gat slepen… en dan staat hij bovenaan de trap verbaasd te kijken naar het gewicht dat weer op de bovenste trede staat. Weer heeft hij niemand binnen horen lopen. Fijn is het wel, nu hoeft hij niet de trap af te klimmen. Hij maakt het gewicht aan het snoer vast en laat het langzaam langs de wiek omlaag zakken. Langs het kanaal lopen twee mensen te rennen. Hun felgekleurde sportkleding steekt af tegen het grauwe van de winterdag. Vlak voor de weg doodloopt bij de molen, gaat een smal pad over een dijkje naar de overkant van het kanaal. Op de splitsing blijven de sporters even staan, dan komen ze naar de molen. ‘Goedemorgen molenaar’ Hij herkent de stem van de jongedame die regelmatig mosterd komt halen voor het restaurant in het dorp waar lokale mosterdsoep met spekjes op het menu staat. ‘Wat fijn dat u toch lichtjes in de wieken hangt! Zonder dat is het toch niet echt kerstmis. Zullen wij deze hier beneden vastmaken?’
De jongen pakt het gewicht van het snoer en geeft dat aan zijn vriendin, die ermee naar binnen loopt. Ondertussen klikt hij de groene lampen vast in de hoeken van de wiek. Nu hoort de molenaar wel dat er iemand door zijn molen naar boven komt. Even ziet hij het felle roze van het sportpak van de dame, dan is ze alweer verdwenen, het gewicht naast de trap achterlatend.  Door het gat kijkt hij ze na als ze over het dijkje wegrennen, hun passen ritmisch als de wijzers van een klok. Dan draait hij zich om naar de draaisteen. Nog een keer. Als hij weer met twee groene lampen en een gewicht ertussen uit het gat hangt, hoort hij de kerkklok slaan. Drie uur, normaal verzamelen zich de mensen zich op deze dag om drie uur onder zijn molen. Nu is het gras en de weg leeg, maar toch heeft hij met dorpsgenoten de lichtjes opgehangen! Tenminste… bijna. Het laatste snoer lichtjes zakt langs de wiek omlaag, meter voor meter, zacht schommelend in de wind. Terwijl hij het snoer en de lampjes door zijn handen laat gaan, kijkt hij af en toe op. Op de weg verschijnt een fietser, licht aan, een witte broek onder een dikke donkerblauwe jas, een gekleurde muts met een rode pompoen. Een honderd meter voor de molen staat aan de weg een klein huisje waar een oude dame alleen woont. Dagelijks komt er een paar keer hulp, om haar te helpen opstaan, om eten voor haar te maken en om haar naar bed te helpen.  De zuster stopt even op de oprit van het huisje, maar stapt dan weer op en komt naar de molen.
‘Goedemiddag meneer Mulder, toch met de lichtjes bezig? Gezellig hoor. Zal ik u even helpen?’ Ze doet het hekje open en loopt over het pad naar de wiek. Hij laat de groene lampen nog een klein stukje zakken, ze kan nét bij de klem op de hoek en dan zit het laatste snoer vast.
‘Dank u wel!’
‘Zal ik het gewicht bij u brengen? Voor de volgende?’
‘Nou, u heeft net de laatste vastgemaakt, dus het is klaar. Hartelijk bedankt!’
‘Prima, fijn dat ik toch even kon helpen. Dan ga ik nu snel naar de buurvrouw. Dag meneer Mulder!
‘Dag zuster!’
Ze loopt het pad af, doet het hekje achter zich dicht en stapt op de fiets. De molenaar gaat naar binnen en rommelt met snoeren, stopcontacten en een tijdschakeleer. Dan loopt hij de trap af naar de mosterdzolder, en naar zijn woonplek. In de keuken zet hij nieuwe koffie op en maakt hij een boterham met mosterd en oude kaas. Hij  ploft aan de keukentafel op een stoel. Wat een bijzondere dag. de lichtjes hangen, en hij heeft het alleen gedaan, en toch ook niet. terwijl hij zo nadenkt over de dag die buiten al duidelijk aan het eindigen is, ziet hij aan het einde van de weg lichten van een auto.

Verbaasd ziet hij de bezorgauto van het café voor het hek stoppen. De uitbater stapt uit, loopt om de auto heen en pakt een doos uit de achterkant. Dan stapt hij over het hekje heen en loopt naar de molen. De molenaar is zo verbaasd dat hij vergeet op te staan tot er luid en duidelijk op de deur geklopt wordt. als hij opendoet, staat er een doos op de drempel, en de uitbater van het café staat twee stappen daarachter.
‘Goedemiddag molenaar, ik kom wat bezorgen.’
‘Wat? Ik heb niets besteld?’ De uitbater staat midden op het pad tussen de molen en het hek. Hij glimlacht breed.
‘Dat weet ik. Dit is toch voor u. de hele middag ben ik platgebeld door mensen die bitterballen en glühwein bestelden. En iedereen wilde dat ik dat ook bij u bezorgde tegen vijf uur.  Ik heb het maar bij een portie gelaten, en er een kerstbroodje bij gedaan.’
De molenaar pakt de doos op en klapt het deksel open. Een klein stolletje met poedersuiker, een thermoskan in de kleuren van het café en een pakje in zilverfolie. Hij kijkt op en ziet de cafébaas in zijn auto stappen.

Op dat moment slaat de klok in het dorp vijf keer. Direct daarop springen boven hem de tweehonderdveertig lampjes in de wieken aan en baadt het contour van de molen in het licht, met trotse groene lampjes op elke hoek. De molenaar kijkt naar boven, naar de verlichte wieken van zijn molen. Achter zich hoort hij de auto van de cafébaas de weg afrijden.
Vorig jaar stond hij hier met buren en vrienden, aan het eind van twee uur werken en lachen, een glas wijn in zijn ene hand en het handje van een klein kindje in de andere. Nu staat hij hier alleen op zijn winters kale grasveld.

Dan hoort hij geluid, flarden van muziek, gezang, uit het dorp. Er wordt gezongen in tuinen, vanuit ramen en op balkons. Hij herkent het lied en zingt mee. En zo komt alles toch tezamen.

Een Reactie op “kerst in de molen 2020

  1. wie snijdt er uien?
    of
    no, you are crying!
    Mooi verhaal, zeg. Goed geschreven 😘

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s