Bat out of hell

De zon schijnt onbarmhartig in mijn ogen, zodat ik ze direct weer sluit. Het geruis van de zee is vaag en ver weg, heel anders dan het geraas en gebulder van de afgelopen nacht. Voorzichtig beweeg ik mijn lichaam; armen, benen, rug, vingers, hals. Alles lijkt nog heel, als doet elke beweging mij pijn. Mijn kleren voelen pijnlijk hard en stug, zand schuurt overal als ik me langzaam en kreunend opricht. De zee heeft mij hier neergesmeten en heeft zich nu weer teruggetrokken. In de verte zie ik het zonlicht schitteren op de golven.
Mijn lichaam protesteert, mijn lippen voelen droog , dor en zout. Ik weet overeind te komen en sta wankelend op het schijnbaar eindeloze strand.
Dorst.
Drinken.
Ik draai me weg van de zee. Een rij rotsen tekent zich scherp af tegen de helblauwe hemel. Moeizaam weet ik vooruit te komen, zoek de omgeving af naar een stukje groen, spits mijn oren naar het geluid van stromend water. Alleen het geruis van de zee is te horen. Het zand is goudgeel en de rotsen diepzwart, de lucht ononderbroken blauw. Geen vogels, geen gras. Niets dan zand en stenen.
Ik bereik de rotsen en leg mij in de schaduw van een overhangende rots tot de ergste hitte uit de lucht lijkt. Terwijl het snel donker wordt doe ik een poging de rotsen de beklimmen. Ik bereik een hoger gelegen plateau, waar ik uitgeput tegen de rotswand aankruip.

Ik word wakker van zacht tikkend geluid. Het duurt even voor ik me realiseer waar ik ben, mijn rug tegen een harde rots, mijn lichaam doet nog meer pijn dan eerder. Om mij heen ligt de donkere tropennacht als een ondoordringbaar zwarte deken. Als ik mijn hand uitsteek, kan ik mijn vingers niet zien. Er tikt iets op mijn hand. Ik trek mijn hand terug en lik mijn natte vingers. Ik proef het zout van de zee, maar ook onmiskenbaar zoet water; regen! Ik kruip onder de rots vandaan en ga plat op mijn rug op de rots liggen, met open mond probeer ik mij te leven aan de lauwe motregen. Het is te weinig om mijn dorst te lessen. Als de eerste zonnestralen over de oostelijke horizon prikken, voel ik me toch verfrist en hoopvol. Zodra ik iets kan zien, begin ik aan mijn toch verder over de rotsen. Er moet daar achter toch iets zijn? De gedachte aan vers drinkwater, kokospalmen en misschien wel mensen, houdt mij bezig en overeind. Ik haal mijn handen open, mijn voeten glijden weg en ik val bijna weer terug naar beneden. Uiteindelijk bereik ik de top en kan ik uitkijken over het landschap aan de andere kant. Ik zak op mijn knieën op de harde rots en kijk om me heen. Het gele zand in de felle zon doet mijn aan mijn ogen. Ik speur de horizon af, steeds wanhopiger. Aan alle kanten zand, rotsen, stenen. En aan alle kanten de zee, die eindeloos golvend de hemel en de meedogenloze zon weerspiegeld. Geen spikkeltje groen, nergens enig teken van de aanwezigheid van zoet water. Het is afgelopen. Ik ben hier aangespoeld, heb de schipbreuk overleeft om hier op dit onbewoonbare en onbewoonde eiland te sterven van honger en dorst. Ik sta op de rost en schreeuw tegen de hemel en de zee, mijn stem weerkaatst tegen de rotsen en verdwijnt in de verte.
Er beweegt iets in mijn rechterooghoek. Als ik mijn blik daarheen richt is het weg, niets als zand en water. Dan opeens zie ik het weer. Daar achter de rots is iets, iets wat niet zo star en bewegingloos is als de rotsen en het zand. Ik loop over de rotsen, struikel over lossen stenen en klim over uitstekende obstakels. Eeuwen loop ik in de felle zon en ik lijk niet dichterbij te komen. Dan opeens kan ik niet verder. benden mij, onderaan een metersdiepe loodrechte rotswand steekt een rotspunt uit in zee en vormt een kleine baai, waarin de rest van schip gevangen ligt, stuurloos dobberend tegen de rots maakt het af en toe een akelig krakend geluid. Vermoeid zak ik in elkaar; dar benden is een schip, misschien wel met water en eten. Ik zie alleen niet hoe ik daar benden kan komen. De zon draait langzaam verder en brandt op mijn lichaam. Het schip dobbert stil en doods in de baai. In het veranderende licht lijkt het een reusachtig voorwerelds monster. Op de rotswand zie ik een smalle streep licht tegen het diepe zwart. Terwijl het snel donkerder wordt kan ik door de laatste lichtinval een smalle rand onderscheiden die mij misschien de mogelijkheid biedt het strand daar beneden te bereiken en bij het schip te komen.
Ik kom overeind en begin weer te lopen. Zodra ik begin af te dalen in de schaduw van de rots, loop ik in het aardedonker. Voetje voor voetje schuifel ik over de smalle rand, mijn rug schuurt tegen de rots, mijn shirt scheurt als het blijft hangen aan een scherpe punt. Even sta ik stil om op adem te komen als plotseling de maan tevoorschijn komt en het geheel sprookjesachtig zilver verlicht. Nu ik weer enigszins zien kan waar ik ga, schuifel ik verder langs de smalle rand, tot ik niet meer verder kan. Ik ga op de rand zitten en kijk naar het schip en de rotsen, een meter of vier beneden me.
Langzaam wordt het weer licht, het begin van een nieuwe hete dag, misschien wel mijn laatste.
In het eerste vage licht zie ik mijn laatste kans; onder mij is zand en water. Waarschijnlijk zal ik te pletter vallen, maar ik kan nu springen of wachten tot mijn lijk naar beneden valt.
Ik spring. Tot mijn verbazing doe ik me niet eens erge pijn. Ik sta op en loop over het smalle strand naar het schip, dat krakend tegen de rotsen schuurt. Vanuit het water weet ik langs een loshangende tros naar boven te klimmen. Op het dek sta ik een poosje stil om op adem te komen. Aan boord ziet het geheel er verbazend intact uit. De deur van de stuurhut staat open en zwabbert in zijn hengsels. Ik stap naar binnen. de stank in de hut is verstikkend. Ik negeer het en probeer de deur naar benedendeks. Die is op slot. Dan pas kijk ik de hut rond en stokt mijn adem in mijn keel als ik tegen de zijwand een lichaam zie liggen. Ooit was dit de stuurman, het water of de storm heeft hem achter het stuur vandaan in een hoek van de hut gemeten. Mijn lege maag keert zich om, vruchteloos kokhalzend sta ik in de deuropening tot de zilte zeelucht mij verfrist.
Ik vind een andere deur naar beneden, die wel opengaan. Dezelfde stank komt mij tegenmoet. Mijn enige kans op overleven is daar beneden, houd ik mij voor. Ik stap de duisternis binnen, vind op de tast de trap en loop met mijn handen langs de wanden door de smalle gang. Als mijn handen een knopje vinden draai ik het om, meer uit gewoonte dan met een verwachting, maar tot mijn verbazing gaat er verderop in de gang een lamp aan. Nu kan ik zien waar ik heenga. Bij de bron van het licht vind ik de kantine. Tafels en banken alsof er elk moment eten kan worden opgediend, slingers en foto’s aan de muren, een bar en een kraan! Ik draai de kraan open en er komt een miezerig straaltje water uit. Het smaakt metalig en is lauw, ik heb nog nooit zoiets heerlijks geproefd.
Ik vul een paar glazen en drink langzaam. Dan valt mijn oog op de platenspeler in de hoek; als de accu het nog doet … ? De platen liggen verspreidt over de vloer, veel zijn er stuk, gebroken of vol krassen.
Ik open het deksel van de speler, tot mijn verbazing ligt daar en gave plaat op. Ik til de arm met de naald op, de plaat gaat draaien ik weet niet hoe lang de accu het nog gaat houden, noch hoe lang de motoren al niet meer draaien, ik breng de arm boven de plaat en laat hem zakken, met een krakend geluid krast de naald over het vinyl. Dan dendert een heftig akkoord door de stilte, en nog eens. Gevolgd door een razende piano, schijnbaar achternagezeten door drums, tot een bevrijdende apotheose van gitaren die de melodie inzetten. Plotseling rust, loopjes van de piano en een mannenstem bezingt een stad bij nacht. zijn baby is het enige dat puur en goed en mooi is in de wereld. Hij is bij haar in de nacht, maar als de morgen komt verdwijnt hij weer.
Versnellingen en vertragingen volgen elkaar op, denderende drums, jankende gitaren en flitsende piano en die machtige stem.
Dan een verandering van thema, een brullende motor. Het tempo loopt weer op als de motor op de weg, sneller, sneller, verder. ik kan niet meer stilstaan, maniakaal stuiter ik rond op het ritme van de razende drums. Ergens rommelt het. Ik kan niet stoppen met dansen, gek van de eenzaamheid, de honger, de dood overal om mij heen. En de opzwepende muziek.
Met een geweldige explosie klapt de trawler uit elkaar. ik vlieg door de lucht en kom met een klap op de stenen onderaan de rotswand. Ik sterf onderaan de rotsen in de brandende hitte van de felle zon. Mijn lichaam pijnlijk verdraaid en verwrongen, tussen brandende wrakstukken. Ik denk in de verte klokken te horen slaan. En dan zie ik mijn hart, het klopt nog maar heeft mijn lichaam al verlaten.
Like a bat out of hell…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s