7: In het pak (slot)

Zondagmorgen. De dag dat mijn jongste afscheid neemt van de basisschool. Ik kleed me voor de kerkdienst. Mijn armen in de armsgaten van de stevige maar licht rekbare stof. Ik recht mijn rug en probeer mijn borst en adem in te houden terwijl ik de rits zorgvuldig sluit.  Ritssluitingen zijn een uitvinding van de duivel, om de mensen te laten vloeken. Deze keer zie ik op tijd dat het niet goed gaat en kan ik het sleetje terug doen en de rits opnieuw sluiten. Ik houd met mijn linkerhand de sluiting vast terwijl ik met de rechter mijn borsten naar buiten en opzij wegdruk. Dan trek ik mijn zacht paarse overhemd aan. Ik kijk naar mijzelf in de spiegel en ben tevreden. Ik trek mijn broek aan en pak mijn das. Kraag omhoog leg ik zorgvuldig een dubbele windsor; over, onderdoor naar voren, over, naar voren en erdoor. Ik trek de knoop aan en zie dat het dit keer in één keer goed gaat; de smalle kant is iets korter dan de brede. Kraag omlaag en colbert aan. Dan mijn dure schoenen. Ze zijn nog steeds bruin waar ik ze zwart wilde, maar passen evengoed onder dit pak. Voor ik de trap afga kijk ik nog een keer in de manshoge spiegel. Tevreden.

Het is zomer. Ik fiets over het eiland in mijn hemd. Mijn overhemd heb ik als een prop om mijn stuur geknoopt. De wind en de zon raken mijn blote schouders, een gevoel wat bijna voel als de streling van mijn geliefde. Ik zit rechtop op de fiets, mijn handen hangen los langs mijn lichaam. Mijn benen draaien in een stevig ritme en mijn banden zoemen over het grijze asfalt. Met mijn lichaamsgewicht stuur ik door een bocht tot de wind uit zo`n hoek komt dat ik mijn stuur moet vastpakken. Het gras is groen en de lucht blauw. En ik voel me tevreden en goed.
Bij de dijk tref ik mijn jongste kind in zijn onderbroek met een emmer vol kwallen. Het water ziet er uitnodiging koel uit. Toch zijn zijn haren en onderbroek nog droog.
‘Mammie, durf jij van de sluis te springen’
‘Het is eigenlijk geen sluis, maar een gemaal’
‘Ok, maar wij noemen het de sluis. Durf jij daar vanaf te springen?’ Hij wijst naar de middelste uitstekende punt. Herinneringen aan zwemmen in het draaiende gemaal, wild kolkende watermassa`s die je een heel eind het wad op droegen. Zomerdagen buitendijks, minuscule kwalletjes, zoveel dat je door lobbige soep leek te zwemmen. En nachtelijk zwemmen in een kring van licht. De dijk oplopen terwijl het water in lichtgevende druppels van je af droop.
‘Jawel.’
‘Doe dan’

De kerk is vol. Veel jonge mensen, ouders, kinderen en opa’s en oma’s. Het klinkt gezellig rumoerig. Ik kies een plek in een bank halverwege de linker beuk, waar ik meestal wegkruip. In de groep kinderen zoek en vind ik mijn jongste in zijn nette pak.
In de liturgie veel nieuwe liedjes en zelfs een canon. Liedjes over vriendschap, bij elkaar horen en samenzijn, wat aansluit bij het thema van de dienst. De beamer staat ook paraat, daar zullen de kinderen wel iets op gemaakt hebben. Verwachtingvol zit ik in de bank, genietend van de sfeer van al deze mensen die mijn dorp, mijn kudde zijn.

‘Ik heb niks bij me. Spring jij maar’
‘Ik durf het niet. Ik durf niet onder water in zout water en er zitten krabben hier’ Voor een jongen van een eiland heeft hij nog een hoop te leren. Ik besluit het erop te wagen.
‘Dan moet ik eerst een keer door zijn.’
In hemd en onderbroek klauter ik van de rand van het gemaal. Staand op de rand onder water besluit ik opeens dat ik beter mijn hemd uit kan doen. Dan heb ik straks nog iets droogs aan te trekken. Half in het water trek ik het over mijn hoofd en laat me dieper zakken. Ik zwem, het water streelt koel over mijn huid, ik klim eruit, loop tegen de dijk op en op het gemaal en spring eraf.

Ze zeggen als je anders bent, dan hoor je er niet bij
Ze doen alsof je niemand bent als je niet bent als zij
Ze zeggen als je anders bent, dan kun je beter gaan,
Alsof je nooit geboren bent, dat is toch geen bestaan
Maar kijk eens naar de regenboog,
Zie jij het soms gebeuren
Dat van die zeven kleuren
Bijvoorbeeld rood of groen
Er een niet mee mag doen?
Nee de een staat naast de ander
En ze zijn zoals je ziet
Steeds verbonden met elkander,
Kunnen mensen dat dan niet?  (Luister naar het lied)
De gemeente zingt met de cd. De kinderen kennen het duidelijk al, de melodie is echter niet lastig en bij het derde couplet zingt iedereen mee. Mijn ogen vullen zich met tranen die stil over mijn gezicht rollen. Ik voel weer de pijn van al die keren dat ik door anderen, die ik ook wilde vertrouwen, gekwetst en weggestuurd werd, omdat ik anders was dan zij. Er anders uitzag of me anders gedroeg. Terwijl ik in de harde kerkbank zit, besluit ik mededogen met mezelf te hebben, toe te laten dat ik huil uit ontroering om een lied dat mij raakt.

Na een tijdje zwemmen zit ik op de rand met mijn rug naar de dijk en mijn voeten in het water te drogen en na te denken. Ik heb gezwommen, midden op de dag, in het zicht van veel mensen, bijna bloot. Ik voel me trots en blij. En maar een beetje bang. Niet zolang geleden was dat heel anders.  Niet zolang geleden zou het niet in me op zijn gekomen om slechts in mijn onderbroek te gaan zwemmen en al helemaal niet het water uit te komen. Ik laat mijn gedachten gaan over hoe ik hier terecht kwam, hoe het begonnen is.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s