3: Hoe het begon, 2001

‘Goedemorgen, ik kom van de thuiszorg’ Bij hoeveel mensen ben ik al zo binnengestapt? Hoe vaak ben ik mijn dag al zo begonnen? De oude man die voor me staat weet dat zijn vaste hulp ziek is, of met vakantie, of om andere reden weg. Als invaller in de thuiszorg kom ik overal. Soms een aantal weken achter elkaar, soms een keer en dan nooit meer. Al zoveel bejaardenwoningen heb ik van binnen schoongemaakt

Achter hem aan loop ik naar de huiskamer. Veel seniorenwoningen zijn gebouwd in een blok van ongeveer identieke huizen, als je op veel plaatsten werkt leer je snel de indeling herkennen; slaapkamer en badkamer beneden, een deur naar de trap, boven een kleine vliering, net groot genoeg om logeerkamer te zijn.
Deze meneer heeft het voordeel van een huis aan het einde va zo’n blok: een extra raam in de zijgevel waar hij de keukentafel bij de vensterbank heeft gezet. Uitzicht over een plantsoen, een voetpad en de straat. Aan de korte kant van de tafel zittend, is net de ingang van een basisschool te zien.
Ook dat leer je herkennen; deze man is vaak alleen. Hij heeft een vaste plek bij het raam, vanwaar hij de buren de hond ziet uitlaten en de kinderen naar school ziet rennen. Buiten is de winter op zijn eind; de lucht is kil en grijs maar tussen de struiken staan de krokussen dapper zachtpaars te bloeien. Ondanks dat is het een tamelijk grauw en troosteloos uitzicht.
‘Doen we eerst een bakkie?’ uitnodigend schuift hij en tweede stoel onder de tafel vandaan. Uitnodigend en bijna smekend. Hoe vaak zit hij hier alleen, met slechts het raam en zichzelf als gezelschap achter een eenzaam kopje koffie? Veel mensen zijn blij als de hulp komt. En nog blijer als er een invaller komt: die kent de verhalen nog niet. Ik ga zitten.
‘U woont hier best leuk zo, met dat uitzicht’
‘Ja, ik zit hier niet verkeerd hoor’ hij kijkt naar zijn uitzicht met een blik alsof hij een heel andere wereld ziet dan die zich achter het raam bevindt. Ik zwijg en wacht af. ‘Vroeger, in Indië, keek ik uit tot op de zee.’ Hij blijft naar buiten kijken, vergeet dat ik er ben, vergeet zijn huisje en de kinderen op straat. Zijn stem klinkt zacht en ver weg, liefdevol.
‘Ik woonde op een zendingspost, tegen de heuvel. Bij helder weer kon ik de schepen zien gaan’ Hij zwijgt weer, in gedachten verzonken. Ik drink mijn koffie op.
‘Het moet mooi zijn daar te wonen. Hoelang heeft u daar gewoond?’ Hij schrikt op uit zijn gedachten. Hij was weer even ver weg geweest, in een ver verleden aan de andere kant van de wereld.
‘Toen ik daar kwam, was ik een jonge pater van 24. Een jongen nog, eigenlijk. Ik wilde graag naar Indië en gelukkig kreeg ik die kans.’ Hij kijkt weer naar buiten en drinkt zijn koffie. Ik bedenk me wat we vanavond zullen eten. Volgens mij heb ik nog zuurkool in de vriezer.
‘Die schrijver, is dat ook familie van je?’ nu is het mijn beurt om uit mijn gedachten op te schrikken. Zijn oude helderblauwe ogen kijken me vragend aan.
‘Ja in de verte wel’
‘En je bent toch ook familie van die jongen die voor de krant schrijft?’ Ook dat kan ik beamen; mijn broer werkt bij de lokale krant. Soms stoor ik mij daaraan; vroeger was ik een kind van …; toen was ik de zus van… nu ben ik in bepaalde kringen al de moeder van… Soms vraag ik me af wie mij kent omdat ze míj kennen.
‘Jij schrijft ook? Verhalen?’ Ik vertel over het schrijverscollectief waar ik bij zit en onze laatste publicatie. Over mijn eigen werk ben ik wat terughoudend. Het tijdschrift waar ik wel eens iets in gepubliceerd heb, rekent hem niet echt tot de doelgroep. Inwendig glimlachend vraag ik me af of hij ooit een erotisch verhaal gelezen heeft. Dan sta ik op, tijd om aan het werk te gaan.
‘Doen we straks nog een bakkie?’ Het klinkt weer bijna smekend.
‘Is goed, zal ik eerst maar even iets doen? Ik kom niet alleen om koffie te drinken toch’ Lach ik, en hij lacht mee. Een beetje onwennig, of hij zijn lippen lang niet gekruld heeft.
Ik zuig de kamer, verschoon het bed en sop het sanitair. Al die tijd zit hij aan tafel en kijkt afwisselend naar mij en naar buiten. Af en toe hoor ik hem praten;
‘Daar heb je Jannie ook, ze loopt toch niet best, zelfs niet met dat karretje’
‘Jongen, loop niet zo hard. Straks haal je de bus nog en kom je op tijd! Zijn ze van jou toch niet gewent’
Daarom dringt het niet meteen door als hij zich tegen mij richt. Opeens zie ik hem naar mij kijken, verwachtingsvol. Hij wacht duidelijk op een reactie. Ik zoek in mijn geheugen of we het net ergens over hadden, maar ik kan de conversatie niet weer oproepen.
‘Het spijt me meneer, ik was even afgeleid. Wat zei u?’
‘Boven op de vliering staat een kast. Op die kast staat een houten kistje, wil je dat voor me meebrengen? Dan schenk ik nog eens koffie in’ Ik werp een snelle blik om mij heen en dan op de klok. Heel veel kan ik niet meer doen, het meeste is klaar en eigenlijk heb ik wel zin in nog een kop koffie.
‘Is goed’
Zolders hebben een vreemde aantrekkingskracht, net als kelders. Zolders hebben iets geheimzinnigs, iets verborgens. Op zolders en kelders worden dingen bewaard die mensen zelden of misschien wel nooit meer nodig hebben en die toch bewaard moeten worden. Mensen hechten aan kleren, foto’s, meubilair, of andere vreemde voorwerpen die ze opbergen op stoffige zolders. Totdat de gehechtheid verdwijnt, meestal als de eigenaar overlijdt en kinderen of een opkoper een container voor de deur zet en de zorgvuldig bewaarde geheimen waardeloze rommel worden, op weg naar de vuilstort of in het beste geval de rommelmarkt. Het verborgene wordt nog versterkt door de eenzaamheid van de zolder.
‘Boven hoeft niet hoor, dat doet mijn zoon/dochter wel als die hier is.’ Ik kom zelden op de zolder. De kinderen zijn misschien ouder dan ik, maar zíj zijn jong en sterk genoeg om met een zware, ouderwetse stofzuiger naar boven te gaan. Alleen kort voor of kort na december vraagt iemand mij wel eens om de kerstspullen van zolder te halen of weer boven te brengen.

Boven vind ik een kleine, vrijwel lege ruimte onder een schuin dak. Vloerbedekking in een onbestemde kleur, een kaal peertje aan een balk. Door een klein dakraam schijnt het grijze daglicht binnen. Het zoemen en de warmte van de centrale ventilatie en de verwarmingsketel geven een verlaten, muffe sfeer; hier komt zelden iemand.
Tegen de enige rechte muur, recht tegenover me staat een witte spaanplaten kast van een goedkope bouwmarkt. Zo een als in heel veel van dit soort huizen staat en zoals ik ook in mijn schuur heb staan. In de kast liggen waarschijnlijk de zomerkleren, over een maand worden deze vervangen door de winterkleren. Met een stukje zeep ertussen, of misschien een paar mottenballen. De deur staat een stukje open, zoals meestal het geval is. De mijne sluit ook niet goed.
Op de kast staat een klein zwart houten kistje met goudkleurig beslag. Een kleine sleutel van dezelfde kleur steekt in het slot en glimt zacht in het vage licht. Ik reik omhoog. Het kistje is zwaarder dan ik dacht en bijna glipt het uit mijn handen. Ik sluit mijn handen er steviger omheen. Het prachtig ingesneden diepzwarte hout voelt warm en levend in mijn handen. Het glanst zacht in het grauwe licht. Ik blaas het stof van het geronde deksel en bekijk het fijne houtsnijwerk. Met het kistje onder mijn linkerarm geklemd loop ik weer naar beneden.
Hij zit aan de tafel op me te wachten als ik beneden kom. Er staan twee koppen verse, hete koffie op tafel. In zijn ogen een enthousiaste glans. Ik zet het kistje voor hem op de kleine tafel en ga tegenover hem zitten. Hij legt zijn handen in een liefkozend gebaar tegen de zijkanten.
‘In dit kistje zit een verhaal’ zegt hij geheimzinnig. Ik weet het, alles hier in huis, alles in elk huis waar ik kom heeft een verhaal. Dat is een van de dingen die ik in dit werk geleerd heb; elk voorwerp heeft een verhaal. Hoe onbeduidend, kapot of waardeloos ze voor mij kunnen zijn, voor de eigenaar zit er een verhaal aan wat het van onschatbare waarde maakt. De vensterbank staat er vol mee, de dozen op zolder, de sprei op het bed. Een mens verzamelt veel verhalen om zich heen als hij maar lang genoeg leeft. Een van de redenen dat ik dit werk leuk vind; ik krijg verhalen te horen die niemand meer kent, die nog zelden verteld worden, omdat er zelden iemand is die wil luisteren. Degenen die erbij waren zijn er niet meer om ze te vertellen of ernaar te luisteren en degenen die er niet bij waren, hebben het al zo vaak gehoord en hebben niet de tijd of het geduld om te luisteren. Ik neem altijd de tijd om te luisteren, nooit heb ik spijt gehad van het luisteren naar een mooi oud verhaal.
De oude man kijkt naar mij en lijkt op mijn gezicht te lezen wat ik denk.
‘Nee, letterlijk!’ zijn oude handen draaien aan de sleutel, het slot kreunt en klikt open.
‘Ik heb het meegebracht uit Indië. Ik zou het fijn vinden als iemand die ik vertrouw zich erover zou ontfermen. Iemand die houdt van boeken en lezen en schrijven’
Hij draait zich naar mij. Op zijn gezicht nog die vreemde glans, alsof de zon heel plaatselijk door de grijze lucht komt.
‘Kom kijken dan!’ Ik kan zijn overredingskracht en mijn eigen nieuwsgierigheid niet weerstaan. Als ik naast hem sta opent hij het deksel. Het scharnier piept. Een geur van warm hout, zachte zoete vruchten en tropische kruiden stijgt op, even denk ik in de verte het geluid van een gamelan te horen. De kille maart morgen op Texel lijkt ver weg, alsof het indië van weleer zich in een klein bewerkt ebbenhouten kistje heeft schuilgehouden en nu bezit neemt van deze kleine seniorenwoning.
In het kistje liggen vergeelde papieren, zo te zien dicht beschreven in een kriebelig ouderwets handschrift. Met enige moeite ontcijfer ik de eerste zin van het bovenste papier:
Den tweede September van het jaar onzes Heeren achttienhonderdtwee arriveer ik met de Volendam te Batavia…
‘Zie je? Hier is het verhaal.’ Triomfantelijk kijkt hij naar me op en even zie ik het vrolijke blonde jongetje dat hij zo’n zeventig jaar geleden was. Dan sluit hij het kistje en draait de sleutel om. De geur van het oude Indië blijft als een vage herinnering om ons heen hangen.
‘Ik zou graag zien dat je het kistje straks meeneemt. Misschien wil je het verhaal eens lezen en misschien kun je er iets mee. Een boek schrijven bijvoorbeeld.’ Nu zie ik echt een glimlach, vriendelijk plagerig, die zijn gezicht doet oplichten.
‘Dat kan ik toch niet zomaar aannemen’ protesteer ik voor de vorm. Een half uur later laat hij me uit. Ik draag het onwerkelijk zware kistje onder mijn arm. Het regent nog steeds.
Thuisgekomen staan de koffers en tassen klaar voor een vakantie; een week Terschelling met mijn vrouw en twee kleine kinderen. Ik zet het kistje onderin mijn nachtkastje. Later zal ik er naar kijken. Later…

Ik kijk op de klok. Bijna elf uur. Al de hele dag ben ik bezig met sjouwen en uitpakken van dozen en kisten. Dit is de eerste nacht dat we hier slapen. Eigenlijk een wonder dat de kinderen zo snel in slaap zijn gevallen. Zacht loop ik de trap op en sluip de slaapkamer van mijn oudste zoon binnen. Strak in het dekbed gerold ligt Luuk onder het leeslampje, een boek half in zijn hand. Een druppel parelt op zijn voorhoofd. Ik pak het boek, leg het op de grond naast het bed en strek het dekbed wat losser. Even opent hij zijn ogen, kijkt mij verdwaast aan en sluit ze dan weer. De klik van zijn lampje klinkt hard in het stille huis. Hij hoort het niet meer.
Op de zolder is de duisternis ondoordringbaar. In tegenstelling tot zijn grote broer doet Joris wel altijd het licht uit voor hij in slaap valt. Ik struikel over zijn kleren en een boek voor ik bij zijn bed kniel en mijn hand op zijn warme voorhoofd leg. Diep in slaap merkt hij niet dat ik bij hem ben. Stil ga ik de beide trappen weer af naar de kamer, waar nog een paar verhuisdozen in het licht van een kaal peertje staan te wachten.
En het kistje midden op tafel. Ik ga aan tafel zitten en streel met mijn vingertoppen het bewerkte hout. Ik kan er net zo goed nu in kijken. Slapen kan ik nog niet en sjouwen wil ik niet meer. Met een zachte kreun draait de koele sleutel in het slot, de deksel gaat piepend open. De geur van warm tropisch hout, zoete vruchten en kruiden zweeft om mijn hoofd en vult de kamer. Even denk ik het geluid van een gamelan te horen. Bovenin het kistje ligt een stuk krant van vierenhalf jaar oud. Het papier knispert tussen mijn vingers als ik het openvouw en de overlijdensadvertentie lees. Nadeel van werken in de thuiszorg is dat je klanten komen te overlijden. Dat gebeurt gelukkig niet vaak op de dag dat ik er ben geweest. Leuk is het nooit, zeker niet als het een gewone gezonde jongeman van vierennegentig jaar oud betreft. Zeker niet in dit geval; ik had graag meer van hem willen horen over het kistje, over Indië. Ik leg de krant opzij en lees weer het kriebelige handschrift op het papier eronder.

Den tweede september 1802 van het jaar onzes Heere achttienhonderdtwee arriveer ik met de Volendam te Batavia. Het is nacht als wij in de haven aanmeren. Als ik ontwaak en mij aan dek begeef lopen inlanders en scheepslui af en aan om de lading van boord te brengen.
lees verder>>

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s